Jan van der Tuin

(NB: Zijn vrouw: Antje van der Tuin Bijlsma;  Zijn schoonzuster: Maaike de Kroon Bijlsma)

"Vermeldenswaardig is het feit dat geen der families waar wij onderdak vonden kostgeld van ons wilde hebben en dat ze in alle opzichten uitstekend voor ons gezorgd hebben."

Mijn eerste contact met het illegale werk dateert uit mei 1944, toen Jacob Kuipers uit Wolvega bij mij kwam om plaats te zoeken voor twee Joodse kinderen.

Door huiselijke omstandigheden kregen we toen een Joods meisje van twintig jaar bij ons in huis, waarvan werd gezegd dat zij een nichtje was. Vreemden hebben daarover nooit enige argwaan gehad. Het verblijf kon helaas maar een half jaar duren, omdat wij over een kleine woning beschikten en onvoldoende slaapgelegenheid hadden.

Enige tijd daarna, ongeveer half november 1944, kreeg ik bezoek van Jan van der Veer uit Wolvega, die kwam vragen of ik ook wapens en munitie kon opslaan voor de ondergrondse. Ondanks het feit dat mijn vrouw bedenkingen had, nam ik die taak op mij. Zij stond wel achter het doel, maar was bang voor het gevaar dat daaraan was verbonden. Afgesproken werd dat het materiaal een paar dagen later tussen zeven en acht uur’s avonds zou worden gebracht door een paar burgers, met assistentie van een aantal politiemensen.

Enige dagen later verschenen Jeep Kroondijk, Jan Kooistra en de agenten Carper, Caro en Koopmans. De volgende dag zou Jan Kooistra terugkomen met iemand anders, om de zaak to controleren. Bij die controle merkte ik al spoedig, dat die andere persoon een echte beroepsmilitair was. Het bleek de heer Wierda te zijn.

Op de zolder boven de kamer waar gestookt werd, werd een zak met springstoffen verstopt. Deze hadden namelijk tijdens het vervoer met een bootje in het water gelegen en moesten een paar dagen op de zolder worden gedroogd. Later zou worden geprobeerd of de springstoffen nog bruikbaar waren.

Ik heb nog wel getracht een veiliger plaats te vinden maar dit bleek praktisch onmogelijk, omdat er geen andere droge veilige plaats, die voor de vijand onvindbaar was, voorhanden was. Het materiaal bleef dan ook op dezelfde plaats.

Enige tijd later werden de wapens op de koestal gepoetst en ingevet door Henk Oord, Willem Keetman, Roelof Koning en Bauke Span. De kinderen worden die dag met een boodschap naar mijn zwager gestuurd.

Zo bleef alles rustig tot het moment, negen februari’s morgen om half negen, dat mijn schoozuster uit Wolvega kwam met het bericht: "Kuipers is geweest et wat in huis is moet onmiddelijk weg. Gooi het desnoods maar in een sloot. Je moet zelf ook weg, want de Duitsers kunnen vandaag wel eens komen. Ze zijn al in Wolvega geweest en hebben Bonny Biersma meegenomen."

Onmiddelijk daarop heb ik alles met behulp van mijn vrouw in een sloot gegooid, die op ongeveer honderd meter afstand van ons huis lag. Er was namelijk niet zo snel een andere mogelijkheid te bedenken om het materiaal voor de Duitsers te verbergen. Terwijl we daarmee bezig waren, bleef mijn schoonzuster zolang bij de kinderen. Toen we klaar waren met het werk vertrok mijn schoonzuster. Zij nam nog een fles melk mee. Hiervoor kwam zij overigens geregeld bij ons. Ik ging direct kijken of eer ook nog sporen van ons werk waren overgebleven. Ik vond nog een paar losse patronen die in de haast uit een zak waren gerold. Direct nadat ik hiermee klaar was zag ik mijn schoonzuster snel terug fietsen en roepen: "Maak dat je wegkomt, want ze komen er aan." Direct daarop hoorde en zag ik op een afstand van een paar honderd meter al een Duitse wagen aankomen.

Nu lag er achter ons huis een boswal, met daarachter een stuk land van ongeveer honderd meter breed en meer boswallen en stukken land. Dit bood mij de mogelijkheid om mij snel aan de ogen van de Duitsers te onttrekken. Ik maakte mij dan ook onmiddelijk uit de voeten. Bij die vlucht verloor ik een klomp, daar ik nog een paar sloten en afrasteringen uit prikkeldraad moest nemen. Uiteindelijk kwam ik bij een andere boerderij terecht, waarvan de boer wel te vertrouwen was. In een paar woorden vertelde ik welk gevaar er dreigde. Na enig overleg kreeg ik daar een andere klomp en schep om een eindje verder mollen te gaan vangen en molshopen te strooien.

Ondertussen hield ik de omgeving goed in de gaten. Het duurde niet lang of ik zag bij een andere boerderij, die een paar honderd meter van mij was vervijderd, de Duitsers al rond het huis lopen. Omdat ik bleef doorwerken schonken zij geen aandacht aan mij en vertrokken enige tijd later. Intussen ging ik nog wat verder van huis, daar ik de omgeving niet vertrouwde. Na een paar uur kwam ik bij een vertrouwde kennis terecht, die ik vroeg om bij mijn schoonzuster te informeren hoe het thuis afgelopen was. Hij kwam terug met het bericht dat er niets gevonden was en dat de Duitsers al weer een tijdje weg waren.

Daarop ging ik weer naar huis terug. Het was immiddels al één uur geweest. Daarna ging ik met de fiets naar een neef in Oldelamer.

Achteraf bleek dat we veel geluk hadden gehad. Wij woonden namelijk aan een zandweg, die bijna een kilometer van de verharde weg lag. De Duitsers waren eerst nog bij een andere boerderij geweest. Dit had ongeveer een kwartier in beslag genomen. Misschien is dit opzet van hun gevangene geweest om ons nog wat tijd te gunnen, maar dit weten we natuurlijk niet zeker.

(Militair Gezag: Rijdt niet mee op legerauto’s want gij veroorzaakt daardoor vertraging in het Militaire verkeer en brengt de chauffeurs in moeilijkheden, die strafbaar zijn indien zij U vervoeren.)

Er waren bij ons thuis tien of elf man geweest, terwijl nog een paar man met een vrachtwagen bij de verharde weg bleven wachten. Toen ze bij ons kwamen hadden ze een geboeide man bij zich, waarmee ze direct naar het hok gingen waar de wapens gecontroleerd waren. Mijn vrouw begreep direct dat ontkennen niet zou helpen. De gevangene bleek later de heer Wierda te zijn. Dat mijn vrouw hem niet heeft herkend kwam, omdat hij zo was toegetakeld.

Na lang zoeken kwamen ze tenslotte om mijn vrouw te verhoren. Hun eerste vraag was, wat mijn schoonzuster bij ons deed. Gelukkig kon zij haar fles melk laten zien. Ze mocht achter niet weg. Daarop vroegen ze mijn vrouw waar de takkenbossen uit het hok waren gebleven waar de wapens onder gelegen hadden. Mijn vrouw antwoordde: "Oh, die zijn allang weg. Die zijn hier maar één nacht geweest, Het was ons veel te gevaarlijk, ik weet niet waar ze zijn." Toen vroegen ze natuurlijk waar ze dan wel gebleven waren et wie ze weggehaald hadden en of ze met een wagen gehaald waren. Daarop antwoordde mijn vrouw dat ze dat niet wist, omdat ze bij nacht weggehaald waren en wij er niet bij mochten zijn, omdat wij anders die personen zouden kunnen verraden. Intussen vond een Duitser mijn persoonbewijs en toen zeiden ze tegen mijn vrouw dat ik dat voor volgende dinsdag on Crackstate kon terughalen. Als ik hen dan de waarheid wild vertellen, zou mij verder niets gebeuren. Als ik niet kwam dan zouden ze het huis in brand steken. Na veel gevraag en gezoek vertrokken ze na een paar uur. Ze namen boter, spek en een pas de vorige dag geslacht varken, dat we met mijn schoonzuster zouden delen, mee. Daarop is mijn vrouw met de kinderen’s avonds naar kennissen in Wolvega gegaan. Dezelfde avond is het voornaamste van de inboedel door familie en buren op een wagen geladen en de volgende dag naar Jeep Kroondijk in Nijeholtpade afgeleverd. Een paar dagen later is toen ook al het vee s’morgens vroeg door de ondergrondse met helpers weggehald en bij boeren in Oldelamer ondergebracht. Ik was op dat moment in Oldelamer, maar de volgende morgen waren Henk Oord en Gerrit Spiele al om zes uur bij mij te vertellen dat mijn vrouw met de kinderen in Wolvega was en de inboedel in veiligheid was gebracht.

Dezelfde avond werd er nog een photo van mij genomen voor een nieuw persoonsbewijs en zo was ik dan een paar dagen later J. van der Laan, boer en veekoopman, geëvacueerd uit Meijel (Limburg). Ook het persoonsbewijs van mijn vrouw werd daar mee in overeenstemming gebracht.

Henk Oord bracht mij een week later naar Oldeberkoop naar A.J. Schotanus, waar mijn vrouw en het jongste kind de vorige dag al waren aangekomen. De beide oudste kinderen waren naar mijn schoonouders gebracht in Olde-Ouwer, omdat het voor ons te gevaarlijk was ze bij ons te houden omdat ze te veel kunnen vertellen. Nadat we daar ongever vijf weken waren geweest, kwamen de Duitsers met drie wagens aanrijden. Onze eerste gedachte was natuurlijk dat ze voor ons kwamen, omdat we wisten dat de Duitsers in Wolvega een spion hadden die tot taak had ons te zoeken en waarvan wij wisten dat hij ook bij familieleden van ons was geweest. Er werd dan ook al enige tijd naar een andere plaats voor ons uitgekeken, maar er was nog niets beschikbaar.

Nu waren bij Schotanus nog twee onderduikers. Één van 20 jaar en de heer P. Meerse uit Witteveen (Dr.), die in november uit het gevangenis in Assen was bevrijd en doorging voor Jan Oosterweg, geëvacueerd uit Arnhem.

Direct werden wij met z’n drieën tegen de muur gezet en gevraagd naar onze namen. Er werd mij gevraagd waar Meijel lag. Gelukkig had ik dat tevoren goed in mijn hoofd geprent. Ze geloofden ons en vroegen verder niet naar papieren. Daarop vroegen ze één van ons naar Adam Vondeling, een familielid van Schotanus, waarvan ze vermoedden dat hij daar zou zijn. Daar wisten wij echter geen van allen iets van. Bij de huiszoeking werd ook niets verdachts gevonden, zodat ze tot ons aller blijdschap weer vertrokken. Een gelukkige omstandigheid was dat ze mijn vrouw niet hebben gezien, want dezelde mannen die haar thuis het verhoor hadden afgenomen, deden ook hier huiszoeking. Ze zouden haar wellicht herkend hebben.

Nu was het voor ons wel tijd om zo spoedig mogelijk uit Oldeberkop te vertrekken, want als de Duitsers terug zouden komen zou het er voor ons minder goed kunnen uitzien. Daarop is mijn vrouw dezelfde morgen met het jongste kind naar haar ouders gegaan, waar ook de beide oudste kinderen waren en daar is ze ook tot de bevrijding gebleven. ‘s Middags werd ik door een koerierster uit Wolvega opgehaald en naar Pier Dijkstra in Hoornsterzwaag gebracht, waar ik slechts vierentwintig uur geweest ben, want dezelfde morgen waren daar de Duitsers ook geweest om Dijkstra te halen, maar omdat hij tijdig gewaarschuwd was, was hij niet aanwezig. Het was er voor mij dus ook niet veilig, zodat dezelfde koerister mij de volgende avond naar L.O. van Spin in Ter Idzard bracht, die mij op zijn beurt bij Cornelis Groen onderbracht. Omdat dit te dicht in de buurt van Wolvega was zou ik met een paar dagen weer verder worden gebracht, maar er moest eerst een nieuwe plaats worden gevonden. Dit duurde maar liefst veertien dagen. Toen kreeg ik bericht dat er plaats was voor ons in Nieuwehorne. Na enig overleg gaf ik er echter de voorkeur aan om op dezelfde plaats te blijven, omdat de Canadezen al in Drenthe waren aangekomen. Na een week zagen wij de eerste Canadezen al. Daarmee is mijn korte onderduikersloopbaan geëindigd. Vermeldenswaardig is het feit dat geen des families waar wij onderdak vonden kostgeld van ons wilden hebben en dat ze in alle opzichten uitstekend voor ons gezorgd hebben.

Jan van der Tuin

Return to Home Page